***
Grigori Dasjevski

En de kamer verbleekte
zodra er het duister in scheen
dat op het glas is gaan liggen
kijk jij dan waarheen

de schaduwen zich bewegen
om aan hun richting te zien
waar toch dat licht vandaan komt
dat op jouw knieën viel

en voor jou op de knieën
viel, de blik op de grond
in berouw, en vergeet
zijn eigen avondstond

plaatst zijn vertrouwen in jou,
en schijnt zijn licht op de linden
zoals de treurveren doen
als paarden de weg niet meer vinden,

en in een lange stoet
onder de aarde rondstampen,
en slechts kunnen dromen van
de schemer die met haar lampen

schijnt vanuit de ramen
en zichtbaar blijft zolang
hij licht werpt op jouw haren
of op mijn hand

naar ons verlaten vaderland
keren wij nooit meer terug
over de weg van het leven
met steeds de dood in de rug.

Maart 1983

dit grote huis is te groot
te gastvrij voor mij en mijn
stervende dame ik kom bij haar
om haar in te stoppen

grappig klein meisje
dat nooit meer ontwaken zal
grappige kleine stokjes in plaats van
handen en voeten die ik instop als ik ga

om te slapen laat ze niet zoekraken
laat ze niet vies worden
en laat ze niet huilen in het nachthemd
dat ik bij Szałański voor haar kocht adieu

Eugeniusz Tkaczyszyn-Dycki
Uit: Het werkelijke en het onwerkelijke worden één lichaam, 111 gedichten. 2009.

Voorbijnaamwoorden
Joanna Mueller

Kom op, schrijf wat Zich (mogen…) ze weten,
ze zeggen: de zoveelste van de lijst
koele erudieten (immers geen
erudietjes
) vooruit, dek je verhemelte
af met een vijgenblad
(palimpsest) een brief van een vreemde
Aan (nee, niet afdekken,
nog wijder open, ik hou
van hoe je bloedt
), tot welk jou de hemel
van abstracties, tot welk leven met rozen
bescheten veroordeeld, meissie (Ik?
hij: Nee!
) met het vuur
van strooien haren (op
de geschiedenis van onvruchtbare hopen) Ik
wie moet je zijn een vreemde, om
eigen te worden? voel,
voel, je bent al een groot
wijffie (o Jullie
letten op fouten en Jullie
van kijken naar Jullie
van druk versimpelt
Zich
) Hul je

in zwijgen
in lijden

krijs

24.5.2001 (van Zuzanna en Joanna)

Geen mensen, geen zelf
komen hier voor, zijn hier niet.
En het gebod schijnt zijn licht
op zevenblad, klis en muskiet.

Slap klinkt het jammerlijk zingen
van de onzichtbare zaag:
Alsof de schurk hem hanteert
en de onschuldige het lijden heeft,
wit verbleekt.

Maar de mensenloze wet
schittert als mensen verdwijnen:
Hier geen kwaad, geen geduld
geen gelaat, slechts het schijnen
van een muskietenvleugel.

Grigorij Dasjevskij, 2003

Kanaal hier
Lantaarn daar

Kanaal daar
Lantaarn hier

Blok was hier
Hij stond klaar

En riep

Lantaarn
in het kanaal

Lantaarn
in het kanaal

Lantaarn
in het kanaal

Blok riep
Blok riep

Brodsky Brodsky
Hielp hielp

En Nekrasov sliep
Nekrasov sliep
Nekrasov sliep
Nekrasov sliep

Nekrasov sliep

Vsevolod Nekrasov

*** (Michail Gronas)

hemellicht:
sneeuw

teder jaar:
getwee

lichte god:
met ons

op de weegschaal:
regen

op de klok:
sneeuw

in mijn ogen:
woud

omhoog omlaag:
gang

waarover ik:
klom

omhoog omlaag:
getwee

Uit: Beste wezen, 2002.

*** (Olesja Vasina)

naar Saratov, de diepte in! de herfst bewenen
blinde steden onderweg achter ons laten.
oktober, rode broer, die voor ons allen heeft geleden,
pas antwoord geven in de hemel, als ze ons wat vragen.
maak je van kant achter de muur, en pak je koffer in
acht stuks, niet meer, zoals dovlatov predikt.
“en in de blauwe hemel brandt een ster”
in de hemel zien wij god, mits we geen zondaars zijn.
raven krijsen als Voronezj op de steppe
wij wachten waar slechts wind briest op een trein
herinnering, een geel blad dwarrelt langs de hemel af
als een bladgouden icoon dat ik eens in Moskou zag.

Uit: Polutona, Vocatief, 16-04-2018.

Kerkhof (Alla Gorboenova)

het is enkel graniet: de grens tussen de levenden en de gestorvenen
verdriet over de vergetenen breekt door als gras op de brink
langs de weg door een grafsteen met een legerster

berkentakken breken; grafdelvers haasten zich ergens heen met een schep
vrouwen in zwarte kleden en dove aren
zaad van een naamloze grassoort verschrompelt

jij bent de bitterheid der aarde, de verdroogde weduwenschil, het wezenlied!
waar ben jij, land van wezen, jonge Rode soldaten, bouwers van Tsjevengoer
de machinisten zijn allemaal gesneuveld langs de rails van de hoop
vaarwel, commandanten! ouderdom heeft geen meelij met de minnaars van de kogel

jullie kleinkinderen handelen in mobieltjes
ze hebben het over “dat land” en doen aan yoga.

maar die alomtegenwoordige onbevattelijke levensbeschouwing
komt mij zo onmogelijk voor in het aangezicht van de steen des doods
daar ik mijn broeder roemloos en vormeloos in het graf heb zien liggen

zoals ze zeggen in ons oude kamp
ga toch heen, ik weet niet waarheen.
daarom ben ik hier gekomen

heen, ik weet niet waarheen
oftewel: naar het rijk der doden.

In: Translit, No. 10-11, 2012.


	

*** (Vsevolod Nekrasov)

			Petersburg Petersburg
			Petrograd Petrograd
			Leningrad Leningrad

				echt waar

			en ik ben zo blij
			iedereen is zo blij

			ineens één één één

			telegraaf
			telefoon
			futurisme futurisme
			apparaat apparaat
			harde band harde band
			boterham boterham
			kabeljau kabeljau
			Apollo Alkyoon
			chocola marmela

			maar het volk dan
			het volk
			avant-garde avant-garde
			zwijnestal zwijnestal
			paradoks paradoks

			hier een vrucht

			hier
			een vrucht

en Mandelstam		het object	
Mandelstam		zelf				

en Pasternak		het subject			o je broer Petrograd
Pasternak		zelf				en dan nog je broer Arbat

gewoon zomaar		daar				niet die broer meer
			op de trap			niet meer jouw broer
							bemoei je er niet mee
Pasternak
Mandelstam		- sch – sch!..
Dynamo Spartak
			Sint				toch maar niet
maar dan wel		Peterschburg
							helemaal
Mandelstam		ès
en Pasternak		cé-há				wat een ramp
Mejerhold		Aleksandr
en Mosselprom		Blok				toch maar niet toch maar niet

Uit: Petersburgse gedichten online verzameling, 1998.

*** (Rostislav Amelin)

hoe kan het toch dat de tijd achteruit loopt
en zaad weerom
     verandert in aren, een kind opnieuw
oud wordt
    de mens – weer een dier, het vlees opnieuw
in aarde verandert
    het kerkhof – een tuin, de tuin een ravijn
weerom
    de schepping – tot stof, opnieuw
atomen
    weer splijten (waarom)
in delen uiteen
    woorden in wind, huizen in lucht
de avond
    weer nacht, het hoofd in het zand

Uit: Textonly No. 40, 2013.